Naar de uitleg

Taal, stap voor stap /Oefenen voor groep 7–8

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm met de andere werkwoordsvormen die erbij horen. Soms is het één woord, soms meer. Let op: in De thee is warm is is wel de persoonsvorm, maar die zin heeft een ander soort gezegde.

Vergelijk de zinnen, volg het voorbeeld en probeer het zelf.

Maak gratis kennis: vijf vragen met tips en uitleg, zonder account.

Drie zinnen over thee. Wat hoort bij het gezegde?

Kijk welke woorden bij de persoonsvorm horen, en welke niet.

De thee koelt af.

Het losse stukje hoort erbij.

Koelt is de persoonsvorm. Af hoort bij het werkwoord afkoelen. Samen vormen ze het werkwoordelijk gezegde: koelt af.

01 Stap voor stap

Twee werkwoorden. En één lokwoord.

Zoek de persoonsvorm en de werkwoorden die erbij horen. Niet elk woord dat op een werkwoord lijkt, hoort erbij.

Na het eten hebben we samen de tent opgezet.

  1. Zoek de persoonsvorm

    Verander de tijd: Na het eten hadden we samen de tent opgezet. Hebben wordt hadden. Dat is de persoonsvorm.

  2. Zoek de werkwoorden die erbij horen

    Opgezet is het voltooid deelwoord van opzetten. Het hoort bij hebben: samen vertellen ze wat we gedaan hebben.

  3. Laat je niet foppen

    Eten lijkt een werkwoord, maar hier staat het ervoor. Het eten is de maaltijd en hoort bij het stukje na het eten. Het hoort niet bij het gezegde.

  4. Controleer

    Persoonsvorm plus de werkwoorden die erbij horen: hebben + opgezet. De andere woorden, zoals we, samen en de tent, zijn geen werkwoorden.

Het werkwoordelijk gezegde is hebben opgezet. De persoonsvorm hebben hoort daar ook bij.

Samen oefenen? Vraag je kind eerst de persoonsvorm aan te wijzen, en daarna: ‘Welke andere werkwoorden horen hierbij?’ Zo blijft de persoonsvorm in het gezegde staan en vergeet je kind het losse stukje van een werkwoord als ‘opbellen’ niet.

02 De taalregels

De regels, met voorbeelden.

Zoek de regel die je nodig hebt. Open een onderdeel voor uitleg en voorbeelden.

Begin bij de persoonsvorm

Zoek eerst de persoonsvorm. Die hoort bij het werkwoordelijk gezegde. Kijk daarna welke andere werkwoordsvormen in dezelfde zin bij die persoonsvorm horen. Vaak staan die verderop in de zin.

ZinWerkwoordelijk gezegde
Noor leest.leest (één woord)
Noor heeft een strip gelezen.heeft gelezen
Noor wil vanavond nog lezen.wil lezen
Noor zou de strip al hebben gelezen.zou hebben gelezen

Persoonsvorm én gezegde

Die twee namen sluiten elkaar niet uit. In Noor heeft een strip gelezen is heeft de persoonsvorm. Tegelijk is heeft een deel van het werkwoordelijk gezegde heeft gelezen. Zoek je het gezegde, laat de persoonsvorm dan niet weg.

Een los stukje kan erbij horen

Sommige werkwoorden vallen in de zin in twee stukken uiteen, zoals opbellen en afkoelen. Dat heten scheidbare werkwoorden. Het losse stukje hoort ook bij het gezegde: in Jesse belt zijn oma elke zondag op is het werkwoordelijk gezegde belt op.

Wil je weten hoe je een vorm als opgebeld schrijft? Lees dan de uitleg over het voltooid deelwoord.

Lange zinnen: elke deelzin apart

Een lange zin kan uit meer deelzinnen bestaan. Elke deelzin heeft zijn eigen werkwoorden. In Ik hoop dat Mo morgen komt is hoop het werkwoordelijk gezegde van de hoofdzin. Komt hoort bij het stukje dat Mo morgen komt.

Let ook op woorden die op een werkwoord lijken, maar hier iets anders zijn. In na het eten betekent het eten de maaltijd. Dat hoort niet bij het gezegde.

Is warm: een ander soort gezegde

De thee is afgekoeld heeft een werkwoordelijk gezegde: is afgekoeld. Maar in De thee is warm staat naast is geen ander werkwoord. Warm zegt hoe de thee is. Is blijft wel de persoonsvorm.

Zo’n zin heeft een ander soort gezegde: het naamwoordelijk gezegde. Daar vind je een eigen uitleg met vijf vragen, als extra uitdaging voor groep 8. Kijk dus niet alleen naar is, maar ook naar wat erbij staat.

03 Zelf oefenen

Van lezen naar doen.

Probeer het zelf. Open een tip als je vastloopt. Na het nakijken zie je het antwoord én de uitleg.

Vijf vaste vragen over het werkwoordelijk gezegde, voor groep 7–8. Zonder account; je resultaat wordt niet opgeslagen.

Een klein oefenrondje

Vind het werkwoordelijk gezegde

Vijf vaste vragen. Denk zelf na, pak een tip als je vastloopt en ontdek waarom het antwoord klopt.

Altijd dezelfde vijf vragen · geen account nodig

Voor ouders Het Oefenplaneet-abonnement

Vandaag het werkwoordelijk gezegde.
En daarna?

Deze pagina helpt je kind het werkwoordelijk gezegde te herkennen. Met een abonnement kan je kind blijven oefenen met taalverzorging, rekenen en begrijpend lezen. Jij houdt zicht op wat goed gaat en wat nog aandacht vraagt.

  • Hulp als je kind vastloopt

    Ontleden & woordsoorten voor groep 6 t/m 8. Tips helpen op weg; uitleg na het nakijken laat zien waarom een antwoord klopt.

  • Weten waar je kunt helpen

    Het ouderoverzicht laat per kind zien welke onderwerpen goed gaan en waar nog oefening nodig is. Zo kies je gericht wat jullie hierna doen.

  • Van losse woorden naar de hele zin

    Kies een oefenonderdeel, oefen een gemengde ronde of onderzoek samenhangende delen stap voor stap. Extra oefenstof voor school, buiten de Oefentoets en Proeftoets.

Van kennismaken naar blijven oefenen

Eén abonnement.
Drie vakken.

Voor jullie gezin, met een eigen profiel en voortgang voor maximaal 3 kinderen.

€ 79per jaar

of € 11,95 per maand

Bekijk het abonnement

Standaardtarieven. Bekijk de plannen en eventuele persoonlijke korting voordat je kiest.

Voorbeeld van het ouderoverzicht met de drie vakken: rekenen, taalverzorging en begrijpend lezen.
Een blik in het ouderoverzicht. Voorbeeldweergave, niet de uitslag van dit oefenrondje.

Nog iets uitzoeken?

Veelgestelde vragen.

Wat is het verschil tussen de persoonsvorm en het werkwoordelijk gezegde?

De persoonsvorm is één werkwoordsvorm: die past bij het onderwerp en laat de tijd zien. Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm plus de werkwoordsvormen die erbij horen. In Sara is gaan zwemmen is is de persoonsvorm en is gaan zwemmen het werkwoordelijk gezegde.

Kan het werkwoordelijk gezegde één woord zijn?

Ja. In De baby slaapt staat maar één werkwoord. Dan is slaapt de persoonsvorm én het hele werkwoordelijk gezegde.

Hoort ‘is’ altijd bij het werkwoordelijk gezegde?

Nee. In De thee is afgekoeld hoort is bij het werkwoordelijk gezegde is afgekoeld. In De thee is warm is is wel de persoonsvorm, maar die zin heeft een ander soort gezegde: het naamwoordelijk gezegde. Daar vind je een eigen uitleg als extra uitdaging voor groep 8.

Hoort het losse deel van een werkwoord erbij?

Bij een scheidbaar werkwoord wel. In De bus rijdt om acht uur weg is het werkwoordelijk gezegde rijdt weg. Weg hoort bij het werkwoord wegrijden.

In welke groep leer je het werkwoordelijk gezegde?

Oudere SLO-leerlijnen noemen het werkwoordelijk gezegde bij groep 7–8. Dat helpt bij de leeropbouw, maar is geen verplichte jaarindeling van de nieuwe kerndoelen. De precieze volgorde verschilt per schoolmethode. Bij Oefenplaneet oefen je het werkwoordelijk gezegde in groep 7 en 8; ontleden als geheel is er voor groep 6–8.

Komt ontleden ook in de Oefentoets of Proeftoets?

Nee. Ontleden & woordsoorten is bij Oefenplaneet extra oefenstof voor school. Je kunt er gericht mee oefenen, maar het zit niet in onze Oefentoets of Proeftoets.

Het Oefenplaneet-abonnement

Maak van oefenen een gewoonte.

Korte rondes voor je kind. Inzicht voor jou.
Verder met taal, rekenen en begrijpend lezen, op één plek.

Bekijk het abonnement
Wat is het werkwoordelijk gezegde? Uitleg en voorbeelden