Spelling is een van de vakken waar ouders het meest over piekeren — juist omdat er thuis zo weinig grip op lijkt te zijn. Toch is het misschien wel het best te oefenen onderdeel van de hele toets: de regels zijn eindig, en wie ze een paar keer met uitleg tegenkomt, onthoudt ze. Op deze pagina lees je precies wat spelling op de basisschool inhoudt, hoe het per groep wordt opgebouwd, en waar je kind meestal de fout in gaat.
Veel materiaal gratis · geen account nodig om te proberen

Spelling — of “taalverzorging”, zoals het op de toets heet — bestaat uit drie onderdelen: de spelling van gewone woorden, de werkwoordspelling, en de leestekens. In groep 5 begint het met luisterwoorden en weetwoorden; in groep 7 en 8 komen de d/t-vormen en alle leestekens erbij. Oefenplaneet dekt alle drie de onderdelen, van groep 5 tot en met de doorstroomtoets, in de stijl van de Cito-, IEP- en ROUTE 8-toets.
Je kind oefent met een echt luisterdictee — horen, typen, meteen feedback — en met meerkeuzevragen zoals op de doorstroomtoets. Bij elke fout staat de regel erbij, zodat oefenen leren wordt in plaats van gokken. Veel van het materiaal is gratis toegankelijk, en proberen kan zonder account.
Taalverzorging op de basisschool valt uiteen in drie strengen. Ze komen niet allemaal tegelijk: de één start in groep 5, de ander pas in groep 6 of 7.
De grootste categorie en de enige die in groep 5 al meetelt. Luisterwoorden die je volgens de regels schrijft (open lettergrepen, verdubbeling) en weetwoorden die je uit je hoofd kent (ei/ij, au/ou, leenwoorden). Wordt elk jaar langer en lastiger.
Voor veel kinderen het lastigste onderdeel, omdat je het verschil niet hoort: “word” of “wordt”, “gebeurd” of “gebeurt”. Begint rustig in groep 6 (stam + t) en groeit in groep 7 uit tot het volledige programma: verleden tijd, voltooid deelwoord en de d/t-vormen.
Punten, komma’s, vraag- en uitroeptekens en hoofdletters op de juiste plek — en vanaf eind groep 6 ook de dubbele punt en aanhalingstekens. De lastige directe rede volgt in groep 7. Hardop lezen maakt de meeste leestekens hoorbaar: waar je stem daalt, hoort een punt; waar hij omhoog gaat, vaak een vraagteken.
In groep 5 is de hele toets een dictee van gewone woorden. Daarna maken spellingwoorden ruimte voor leestekens en werkwoorden, tot de drie onderdelen in groep 7 en 8 ongeveer in balans zijn.
De hele toets is een dictee van gewone woorden — nog geen werkwoordspelling of leestekens.
Leestekens komen erbij vanaf midden groep 6; de eerste werkwoordspelling pas vanaf eind groep 6.
De drie onderdelen zijn ongeveer in balans — dit is de volle taalverzorging-toets.
Op de doorstroomtoets zijn alle vragen meerkeuze; spelling en werkwoorden zitten samen in één onderdeel.
Cijfers bij benadering, gebaseerd op de opbouw van de LVS- en doorstroomtoetsen. Toetsaanbieders ontwikkelen het formaat continu door; gebruik ze als richtlijn, niet als exacte feiten.
Spelling wordt op twee manieren getoetst. Welke je kind tegenkomt, hangt af van de toets en het jaar.
De juf of meester leest eerst de zin voor en daarna het losse woord; je kind schrijft het op. Geen keuzes, geen hints — de spelling moet uit het hoofd komen. Zo toetsen de LVS-toetsen spelling in groep 5 tot en met 8.
Je kind leest een paar zinnen en kiest de juiste: “In welke zin zijn de dikgedrukte woorden allebei goed gespeld?” Zo werkt de doorstroomtoets — volledig meerkeuze, zonder dictee. Herkennen dus, in plaats van zelf schrijven.
Elk jaar komen er regels bij. In groep 8 komt er niets nieuws meer — dan komt alles samen en wordt het moeilijker.
± 9 actieve spellingcategorieën & regelfamilies
± 19 actieve spellingcategorieën & regelfamilies
± 21 actieve spellingcategorieën & regelfamilies
± 21 actieve spellingcategorieën & regelfamilies
Herken je deze bij je kind? Elk van deze fouten is goed te oefenen — juist omdat er een duidelijke regel of stap achter zit.
Het verschil tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord is niet te horen — alleen de stappen (onderwerp, tijd) geven het antwoord.
hij word → hij wordt · het is gebeurt → het is gebeurd
Bij een open lettergreep hoor je een lange klank, maar schrijf je één letter; bij een gesloten lettergreep verdubbelt de medeklinker.
bomen ↔ boomen · lopen ↔ loppen
Deze klanken klinken precies hetzelfde. Welke je schrijft is per woord een weetje dat je kind moet kennen.
rijst of reist? · mouw of maus?
Woorden uit het Frans, Engels of Latijn volgen een andere spelling dan je hoort — je kunt ze alleen onthouden.
bureau, cadeau, mayonaise, machine
Namen van personen, landen, talen en aardrijkskundige plaatsen krijgen een hoofdletter — ook midden in de zin.
we gaan naar frankrijk → Frankrijk · zij spreekt engels → Engels
De apostrof bij meervouden en tijdsbepalingen en de trema die twee klinkers uit elkaar houdt, worden makkelijk vergeten.
foto’s, ’s nachts, reünie, geëmotioneerd
Elke groep heeft een eigen pagina met de onderdelen, voorbeelden en oefeningen op het juiste niveau.
De basis: open en gesloten lettergrepen, ei/ij, au/ou, meervouden en verkleinwoorden. Nog geen werkwoorden of leestekens.
Spelling oefenen groep 5 →Groep 6Erbij: leestekens, langere woorden en de eerste leenwoorden. Eind groep 6 start de werkwoordspelling met stam + t.
Spelling oefenen groep 6 →Groep 7Het werkwoordjaar: d/t-vormen, voltooid deelwoord en sterke werkwoorden, plus trema’s en alle leestekens.
Spelling oefenen groep 7 →Groep 8Alles door elkaar, op het niveau van de doorstroomtoets: de moeilijkste spelling en werkwoorden, als meerkeuze.
Spelling oefenen groep 8 →Wil je kind juist de werkwoorden of het dictee trainen? Elk onderdeel heeft een eigen oefenpagina.
Tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord — met het stappenplan en uitleg per opgave.
LuisterdicteeHoor de zin en het woord met een echte stem, typ wat je hoort en kijk direct na met de spellingregel.
Dicteewoorden per groepPrintbare oefenlijsten per spellingcategorie voor groep 5 t/m 8 — elk woord met voorbeeldzin en audio.
Je hoeft zelf geen taalexpert te zijn. Deze vijf gewoontes maken het meeste verschil.
Spelling wordt op school voorgelezen, niet overgeschreven. Oefen thuis net zo: lees een zin voor of gebruik het luisterdictee, en laat je kind het woord uit het hoofd opschrijven. Zo train je de vaardigheid die de toets echt vraagt.
Spelling zit in de herhaling. Korte, dagelijkse rondjes bouwen automatismen op die één lange sessie niet kan evenaren. Een luisterdictee duurt een paar minuten — perfect voor na school.
Bijna elke d/t-fout is een stappenfout, geen kennisfout. Vraag niet of je kind de regel kent, maar wát het onderwerp is en welke tijd de zin heeft. Volg de stappen “stam + uitgang” en de juiste vorm volgt vanzelf. Forceer werkwoorden pas vanaf groep 6 — eerder verwart het.
Eén fout die zich herhaalt is informatie. Gaat het steeds mis bij ei/ij, of juist bij het voltooid deelwoord? Elke opgave legt de regel kort uit, en met een gratis account zie je de voortgang per onderdeel — zo weet je waar de oefentijd naartoe moet.
De doorstroomtoets is doorgaans in februari en toetst spelling met meerkeuzevragen. Twee of drie korte sessies per week vanaf de herfst werken beter dan een sprint in januari — en ze nemen toetsspanning weg, want je kind weet dan wat het kan.
Spelling valt onder taalverzorging en bestaat uit drie onderdelen: de spelling van gewone woorden, de werkwoordspelling en de leestekens. In groep 5 is de toets nog puur een dictee van gewone woorden. Vanaf midden groep 6 komen leestekens erbij, en vanaf eind groep 6 de eerste werkwoordspelling. In groep 7 en 8 zijn alle drie de onderdelen volop aanwezig. De precieze opbouw verschilt per toetsaanbieder (Cito, IEP, ROUTE 8) en kan per jaar veranderen.
Doorgaans vanaf eind groep 6. Het begint rustig: alleen de tegenwoordige tijd (stam + t) en de zwakke verleden tijd (-de/-te). Het voltooid deelwoord, de sterke werkwoorden en de beruchte d/t-vormen komen in groep 7 aan bod. In groep 8 komen alle vormen door elkaar terug — ook op de doorstroomtoets, als meerkeuzevragen.
Het beste doe je het zoals op school: voorlezen in plaats van overschrijven. Lees een zin voor, herhaal het woord en laat je kind het uit het hoofd opschrijven — of gebruik het luisterdictee, dat de woorden met een echte stem voorleest. Kijk daarna samen na en let vooral op welke fout terugkomt; die categorie herhaal je een paar dagen later. Tien woorden per dag is genoeg.
Bij een dictee wordt een woord voorgelezen en schrijft je kind het zelf op — dat is de open vorm die de LVS-toetsen in groep 5 t/m 8 gebruiken. Een spellingtoets kan ook meerkeuze zijn: je kind leest zinnen en kiest de goed gespelde. Zo werkt de doorstroomtoets, die volledig meerkeuze is en geen dictee bevat. Wie een woord zelf foutloos kan schrijven, herkent de juiste spelling ook tussen vier opties — daarom is dictee-oefenen voor beide vormen nuttig.
Op de doorstroomtoets zit taalverzorging als meerkeuze: de spelling van gewone woorden en de werkwoordspelling zitten samen in één onderdeel (“In welke zin zijn de dikgedrukte woorden allebei goed gespeld?”), en de leestekens en hoofdletters in een tweede onderdeel. Alle categorieën van groep 5 t/m 8 kunnen terugkomen — van open lettergrepen en leenwoorden tot d/t-vormen en de directe rede. Er is geen dictee op de doorstroomtoets.
Je kunt direct beginnen met oefenen zonder te betalen, en veel van het materiaal is gratis toegankelijk. Proberen kan zelfs zonder account. Een gratis account is handig — dan onthoudt Oefenplaneet de voortgang per onderdeel en groeit het niveau mee van groep 5 tot en met 8.
Nee. Oefenplaneet is een onafhankelijk oefenplatform en niet verbonden aan Stichting Cito, IEP (Bureau ICE), ROUTE 8 of enige andere toetsaanbieder. Onze oefeningen zijn origineel en gemaakt in de stijl van de spelling zoals die op deze toetsen voorkomt — niet afkomstig uit officiële toetsen.